• Ouders hebben de vrijheid om hun kinderen op te voeden zoals zij dat willen. Die vrijheid is belangrijk. Ouders kennen hun kinderen, dragen verantwoordelijkheid voor hun opvoeding en hebben het recht om hun eigen waarden, normen en overtuigingen mee te geven.

    In een democratische samenleving is vrijheid een belangrijke waarde. We willen niet dat de overheid bepaalt hoe ouders hun kinderen moeten opvoeden. De vrijheid van het individu verdient bescherming. Maar wat gebeurt er wanneer de manier waarop een kind wordt opgevoed niet alleen een negatieve invloed heeft op het kind zelf, maar ook op de samenleving waarin dat kind later zijn plichten zal moeten nakomen?

    Stel je bijvoorbeeld een ouder voor die dagelijks complotvideo’s bekijkt en deze ook aan haar óf zijn kinderen laat zien. De ouder vertelt haar kinderen vervolgens dat een bepaalde groep mensen uit de samenleving slecht is en volgens haar geen recht zou mogen hebben om te bestaan. De kinderen groeien op met deze overtuigingen en leren vanaf jonge leeftijd om een bepaalde groep mensen te wantrouwen of zelfs te haten.

    Op het eerste gezicht lijkt de situatie misschien eenvoudig. De ouder heeft immers vrijheid van meningsuiting en het recht om haar kinderen op te voeden vanuit haar eigen overtuigingen. Maar kunnen we daar stoppen?

    Waar begint verantwoordelijkheid?

    Opvoeding heeft invloed. Kinderen ontwikkelen hun beeld voor een groot deel door wat zij thuis leren en ervaren. De overtuigingen die zij op jonge leeftijd meekrijgen, kunnen invloed hebben op de manier waarop zij later naar andere mensen en naar de samenleving kijken. Daarmee ontstaat de eerste ethische vraag.

    • Als ouders de vrijheid hebben om hun kinderen vanuit hun eigen overtuigingen op te voeden, waar begint dan hun verantwoordelijkheid tegenover de samenleving?

    Een ouder kan zeggen: ”Dit zijn mijn overtuigingen en ik heb het recht die met mijn kinderen te delen.” Maar een kind heeft zelf nog geen volledig ontwikkelde mogelijkheid om al die overtuigingen kritisch te onderzoeken. Het is afhankelijk van de volwassenen om zich heen en neemt veel van wat het leert als waarheid aan.

    Daar ontstaat een spanningsveld tussen vrijheid, ontwikkeling en het belang van de samenleving.

    Het belang van het individu tegenover het belang van de samenleving

    Hier komen verschillende belangen bij elkaar.

    • Aan de ene kant staat de vrijheid van de ouder. We willen voorkomen dat een overheid of andere instantie zomaar kan bepalen welke ideeën iemand aan zijn of haar kinderen mag meegeven.
    • aan de andere kant staat het belang van het kind. Heeft een kind ook niet recht om zich zelfstandig te ontwikkelen, verschillende perspectieven te leren kennen om uiteindelijk een eigen mening te kunnen vormen?
    • En daarnaast is er het belang van de samenleving. Een democratische samenleving is afhankelijk van mensen die met elkaar kunnen samenleven, ondanks verschillen in overtuigingen, achtergrond en levenswijze.

    Als kinderen structureel worden opgevoed met het idee dat bepaalde groepen mensen minderwaardig zijn of geen bestaansrecht hebben, kan dat gevolgen hebben voor de samenleving en de manier waarop zij later deelnemen.

    Maar betekent dat automatisch dat de vrijheid van ouders beperkt zou moeten worden?

    Kunnen we vrijheid los zien van verantwoordelijkheid?

    Vrijheid betekent dat mensen ruimte krijgen om hun eigen keuzes te maken, maar vrijheid betekent niet noodzakelijk dat onze keuzes geen gevolgen hebben voor anderen. Dat roept een bredere vraag op die we vaker in een democratische samenleving tegenkomen: kunnen rechten en vrijheden bestaan zonder verantwoordelijkheid?

    Als wij waarde hechten aan vrijheid, moeten we dan niet tegelijkertijd nadenken over de plichten en de verantwoordelijkheid die bij die vrijheid horen? En als wij waarde hechten aan een participatiesamenleving, moeten we dan ook niet nadenken over de manier waarop toekomstige burgers worden voorbereid om daaraan deel te nemen?

    Waar ligt voor jou de grens?

    Er bestaat misschien geen eenvoudig antwoord op dit vraagstuk. Wanneer wordt opvoeding indoctrinatie? Wanneer wordt het beschermen van de vrijheid van een ouder het beperken van de vrijheid van een kind? En wanneer mag de vrijheid van een individu zwaarder wegen dan het belang van de samenleving? Dat zijn geen vragen die we gemakkelijk kunnen beantwoorden. Juist daarom zijn dit vragen waarover we moeten blijven nadenken én is filosoferen zo belangrijk.

    Wiens belang weegt zwaarder: dat van het individu of dat van de samenleving als geheel? En hoe vinden we daarin een ethische en democratische evenwicht?

    Wij zijn erg benieuwd hoe jij deze vragen zou beantwoorden. Heb jij een interessante visie, een goed argument of een ander perspectief op deze vraagstukken? Laat het ons weten. We horen graag van je.

  • Het onderwijs bereidt kinderen voor op de samenleving van vandaag én op de samenleving van morgen. Maar op welke manier doen we dat eigenlijk? Welke vaardigheden hebben kinderen nodig om later zelfstanding keuzes te maken, verantwoordelijkheid te nemen en actief deel te nemen aan de samenleving?

    Die vragen worden steeds belangrijker. We spreken veel over burgerparticipatie en over een samenleving waarin mensen meer verantwoordelijkheid nemen, maar een participatiesamenleving ontstaat niet vanzelf. Het vraagt om burgers die zelfstandig kunnen denken en in filosofische dimensies, vragen durven stellen, verschillende perspectieven kunnen bekijken en bereid zijn om verantwoordelijkheid te nemen.

    Kinderen leren denken

    Filosofie kan hierin een belangrijke rol spelen. Dat betekent natuurlijk niet dat we kinderen op de basisschool meteen ingewikkelde filosofische theorieën of zware filosofische boeken moeten aanbieden. Het gaat er juist om dat we vanaf jonge leeftijd een basis voor filosofisch denken leggen.

    Op de basisschool kan dat heel eenvoudig beginnen door kinderen vragen te stellen en met hen te filosoferen over onderwerpen die aansluiten bij hun leeftijd en belevingswereld. Wat is eerlijk? Wanneer is iets goed of fout? Waarom moeten we regels volgen? Wat betekent vrijheid? Kun je altijd zeggen wat je denkt? Waarom moeten we rekening houden met anderen?

    Kinderen hoeven daarvoor geen ingewikkelde theorieën te kennen. Het gaat in eerste instantie om nieuwsgierig zijn, vragen durven stellen, nadenken en leren luisteren naar verschillende antwoorden. Naarmate kinderen ouder worden en zich verder ontwikkelen, kan deze basis steeds verder worden uitgebreid. Op de middelbare school kunnen bijvoorbeeld steeds meer filosofische ideeën, theorieën en denkers worden geïntroduceerd.

    Op deze manier wordt filosofie niet iets wat pas op latere leeftijd of alleen aan de universiteit thuishoort. Filosofisch denken kan vanaf de basisschool onderdeel worden van de ontwikkeling van een kind en gedurende de verdere onderwijsloopbaan worden meegenomen.

    We vergeten soms dat kinderen zelf al uitstekende filosofen zijn, ze stellen voortdurend vragen en zijn nieuwsgierig. Het onderwijs zou die nieuwsgierigheid niet alleen moeten behouden, maar juist moeten versterken.

    Filosofie en democratie

    Een democratische samenleving heeft filosofen nodig, mensen die bereid zijn naar andere te luisteren, hun standpunt kunnen uitleggen en kunnen erkennen dat een ander perspectief waardevol kan zijn. Mensen die niet alleen vragen wat zij zelf willen, maar ook nadenken over wat rechtvaardig en verantwoord is voor anderen. Daarom hebben filosofie en democratie veel met elkaar gemeen. Een democratie vraagt om filosofen die het algemeen belang dienen.

    De participatiesamenleving begint bij het onderwijs

    Wanneer we willen dat burgers in de toekomst actief deelnemen aan de samenleving, moeten we ze daar ook op voorbereiden. Dat betekent niet dat ieder kind op de basisschool politiek actief moet worden, het betekent dat kinderen leren dat zij onderdeel zijn van een samenleving en dat hun keuzes gevolgen kunnen hebben voor anderen.

    Participatie begint immers niet wanneer iemand achttien wordt en voor het eerst mag stemmen. Het begint veel eerder: wanneer een kind leert luisteren naar een ander, een eigen mening vormt, vragen stelt, verantwoordelijkheid neemt en fouten herkent. Daarom is filosofie geen luxe binnen het onderwijs. Het kan een manier zijn om kinderen voor te bereiden op deelname aan de participatieve democratie.

    Een investering in de lange termijn

    Een participatiesamenleving bouwen is geen project dat binnen één jaar of twee klaar is. Het is een langetermijnproces. Juist daarom moeten we verder vooruit kijken.

    Als we willen dat toekomstige generaties actief, zelfstandig en verantwoordelijk kunnen bijdragen aan de samenleving, begint dat bij de ontwikkeling van kinderen. Het onderwijs kan kinderen niet alleen voorbereiden op een beroep. Het kan hen ook voorbereiden op leven in een samenleving waarin zij hun plichten nakomen.

    Misschien moeten we daarom niet alleen vragen wat kinderen later moten kunnen, maar vooral welke mensen we willen dat zij worden.

    Dat is uiteindelijk ook de vraag achter het onderwijs.

    Een misschien begint een participatieve democratie wel met iets heel eenvoudigs: een kind dat een vraag stelt én een volwassene die zegt ”Laten we daar samen over nadenken!”

    Participatie is naar mijn mening dan ook veel meer dan werken, belasting betalen of vrijwilligerswerk doen. Het gaat ook over ontwikkeling. Wat precies onder participatie en plichten valt, is een onderwerp dat ik in een afzonderlijk artikel verder zal toelichten.